waar de weg mij brengen moge

Wilmijalseenkindbehandlen (1 van 1)

21 January 2011
By on 21:25

Er was altijd wel zox92n dag in de winter. Ik werd vroeg wakker, zoals altijd. Ik ging naar beneden, zoals altijd. Zo ging het. Het werd een gewone dag. Tot ik er op een bepaalde manier achter kwam wat er buiten aan de hand was. Ik deed het gordijn open, of – dat kwam vaker voor – mama zei het.

Heb je al uit het raam gekeken? zei ze dan – alsof dat iets was wat ik iedere dag deed. Alsof ze iets achterhield ook. Zij had vast al wel gekeken, anders vroeg ze het niet. Ze had dan een lach op haar gezicht. Nee, zei ik. Ik ging het maar doen. Liep naar het raam, keek eruit.

JES! Wit, zag ik. Sneeuw, zag ik. JES! Sneeuw, zag ik. Sneeuw. Euforisch. Uitgelaten. Sneeuw. JES! Dat was winter zoals winter hoorde. Sneeuw, ik moest naar buiten. Jas aan, wanten aan. Sjaal om. Slee mee. Mama, waar is de slee? Mama spijt – dat ze gevraagd had of ik al uit het raam had gekeken.

Eerste stappen in de achtertuin. Mooi, altijd. Lopen is ineens een ontdekkingsreis op eigen grondgebied. Koud ook. Toch altijd koud, die sneeuw. Zo, het lopen is leuk geweest. Sneeuw pakken van de grond, een bal proberen te rollen. Lukt niet. De slee. O ja, de slee is er nog.

Kggg. Dat hoor ik als ik de slee de tuin in trek. Vreemd. Nou en. JES! Sleexebn. Mama, mama, wil je mij door de sneeuw sleexebn? Mama heeft nog steeds spijt. Toch doet ze het. Ik op de slee. KGGGGGGGG, nu is het geluid nog harder. KGGG. Papa komt erbij. Hij vindt het eerst leuk. Tot hij het geluid hoort. KGGG. Het is niet goed voor de ijzers, zegt hij, nu sleexebn. Dan worden ze bot. De sneeuw is nog te dun. Jammer. Slee weer in de schuur. Morgen vast.

x91s Avonds – ik had heel de dag buiten rondgebanjerd – zat ik weer op de bank. Exe9n meisje had wel een slee mee. Zij had er een van plastic, zonder ijzers – die mocht wel. We gingen ermee van de berg af. Het ging niet erg hard. Halverwege de berg bleven we soms hangen. Dan gingen we weer lopen. Gewoon ergens heen. Een sneeuwpop maken. De sneeuw was gauw op, je zag overal gras om de sneeuwpop heen.

Ik zat weer op de bank dus, mijn bevroren voeten onder me zodat ze konden ontdooien. Dat deden ze gauw. We keken het journaal. Daar had het ook gesneeuwd. De weerman vertelde erover. En ieder jaar, ook dit jaar, hadden wij pech. Wij in het zuiden. Wij in het zuiden hadden maar een beetje sneeuw. Net niet genoeg voor het leuke. Precies genoeg voor auto-ongelukken.

Nee, dan Het Noorden. Dat verre, onbetreden land waar het altijd koud was. Dicht bij de noordpool lag dat. Hopen sneeuw, als we de fotox92s geloofden – en dat deden we. Kijk, zei mama, bij Aad en Anja is er echt veel sneeuw. Ja, bij Aad en Anja wxe9l. Altijd bij Aad en Anja wel. Die woonden in Het Noorden en daar was het altijd koud.

In elkaar gedoken zat ik daar dus – op de bank. Murmelend dat ik niet in Het Noorden woonde en constaterend dat we wel helemaal nooit zouden kunnen sleexebn hier. Vroeger, begon papa. Ja, ja, ik kende dat verhaal al. Vroeger was er iedere winter sneeuw. En veel ook. Morgen, dacht ik. Morgen komt het hier.

JES. Ik word wakker. Het is ochtend. Sneeuw! Bed uit. Sneeuw! Gordijn open. Uit het raam kijken. Shit. Bruin, zie ik. Pap, zie ik. Shit. Pap, zie ik. Sta ik hier. Aad en Anja zijn vast aan het sleexebn. Ik sta hier. Ik moet het doen met verhalen van vroeger. Met verhalen van Aad en Anja. Ik sta voor het raam. Ik kijk naar buiten. Ik besluit dat ik later met een jongen uit Het Noorden trouw. ?

29 December 2010
By on 10:57
lasagne helpt tegen griep

is bewezen.

28 October 2010
By on 08:47
Alstublieft

Ik had wel eens zo'n dag, ooit. Dat ik het huis uitliep, de stoep op stapte. De stoep waar de zon op scheen. Of wat mij betreft scheen de zon helemaal niet. In ieder geval stapte ik de stoep op. Ik keek waarschijnlijk ergens naar. Ik dacht wat. Desnoods aan iets stoms, iets wat ik vervelend vond. Maar drie tellen later was die gedachte alweer kwijt.

Kwam hij niet iedere tel als een golf weer terug. Zag ik hem niet in alles wat ik tegenkwam, die gedachte. In een boom, een tekst, een mens, in niets. Hij kwam niet terug.

Geeft u me alstublieft eens weer zo'n dag?

6 October 2010
By on 07:26
waarde winter

waar de winter is
vervloekt men de kou

waar de winter is
hunkert men naar zon

waarde winter

waar de regen valt
beeft men doorweekt

waar de regen valt
droomt men van droogte

waarde regen

waar zon is
is niets te hunkeren

waar droogte is
is niets te dromen

18 September 2010
By on 09:13
liefkozen

‘en nu moet je haar liefkozen’, zei je, en je had gelijk mijn aandacht. je zei het alsof je wist wat dat dan was, liefkozen. liefkozen klinkt zoveel zoveel malen liever dan ieder ander woord wat je gebruiken kunt. ik kon er niets aan doen, maar toen ik naar je handen keek stelde ik me zo voor dat jij mij liefkoosde, mijn wangen, mijn neus, mijn nek zachtjes aanraakte en tegelijkertijd liefhad. zachtjes aanraken en dat wat je aanraakt tegelijkertijd liefhebben. dat is misschien wel liefkozen. en jij kan het, anders had je het woord nooit gebruikt.

28 March 2010
By on 13:25
laurie

Wie ik ben? Net mijnvader. Net zoals bij hem staat bij mij de koptelefoon zo hard mogelijk.Net zoals hij kan ik heel hard lachen om dingen waar andere mensen geengrap in zien. We verdedigen ons beiden met de uitleg: da’s toch humor?

Wie ik ben? Net mijnmoeder. Net zoals zij wil ik altijd overal naartoe – het liefstfietsend. En net als zij kan ik niemand voor de gek houden zonder datbinnen twee seconden toe te geven.

Ja. Ik ben meiske en jochin een. Ik spring zonder aarzelen het koude water in – mijnspijkerbroek nog op de kant. En met een bloemetjeslegging aan wacht ikalleen op mijn kamer tot een bebakkebaarde vrijbuiter me komt zeggen: ik droom soms dat je blijft.

(Geschreven voor mijn profiel op de site deadline)

21 January 2010
By on 18:51
fietsmand

mijn fietsmand verzamelt bladeren van de bomen waar ze onder staat. rode, oranje, gele en bruine. ik ben het met haar eens.

7 November 2009
By on 08:45
Bloemen op de muren

Het is de maandag voor de donderdag. Het zijn dagen dat overdag de tijd te langzaam gaat, en ‘s avonds te snel. Het enige wat ik nog doe is wachten op de donderdag, en als je wacht dan doe je niets. Misschien denk ik af en toe na over wat ik in Bolivia wil doen, wil zien, wil dromen, wil fotograferen, wil beleven, wil voelen vooral. En eigenlijk verlang ik het allermeest naar iets wat hier in Nederland evengoed kan. David, iemand die ik heel graag eens zou willen zien en spreken, ik denk dat hij heel bijzonder zal zijn, zegt het het mooist. Ik wil wonen in het huis van de Heer. Dat is wat ik wil in Bolivia, dat is wat ik wil in Nederland: in Utrecht of in Mechelen of waar ik volgend jaar ook terecht kom. Ik wil het allerliefst wonen in het huis van God.

In het huis van God word je wakker in een kamer die precies zo is als je wilt. Ik zou wakker worden van de zon. Je mag door het huis rennen naar beneden, er is altijd genoeg brood en genoeg water, genoeg melk, genoeg wijn – met liefde bereid – en je hoeft er niet voor te betalen. Er wonen lieve meisjes en lieve jongens met wie je door de gangen loopt en lacht, in de tuin zit en praat. Het is net alsof het je broers en je zussen zijn.

Je hoeft niet meer te huilen in de trein, zonder medelijden. Je mag huilen, alleen of bij iemand die je liefhebt. Maar het fijnst is dat je altijd altijd altijd naar die mooiste kamer mag, waar je vader is. Hij zal luisteren en begrijpen.

De grote spiegels op de gangen zijn er niet om sip voor te staan, maar om tijdens het langslopen in te lachen.

Er zijn ontzettend veel kamers in het huis van God, grote en kleine, groene en witte, met hout op de vloer of tapijt, met verf of met behang. Ze zijn zoals hij ze bedacht heeft voor wie erin komt. De mijne met witte hoge plafonds en bloemen op de muren, een houten vloer en een deur met een slot zodat ik af en toe alleen kan zijn, een tafel om aan te schrijven, vazen voor bloemen, grote kasten voor alles wat ik kwijt wil, een radio en een grote lege vloer waar ik kan dansen. Een kamer die helemaal past bij mij. Zo is er voor iedereen een kamer, en iedere dag komen er mensen bij. De zomers zijn vol zon, de winters zijn vol ijs en sneeuw. Als het buiten koud is, brandt binnen de kachel.

En de tuin is groot, en er zijn geen hekken. Je kunt weg wanneer je wilt. Maar als je kwijtraakt, of als je wegloopt, gaat je vader je zoeken, en hij vindt je. Je mag terug in jouw kamer. Want jouw kamer, jouw kamer wordt nooit aan iemand anders verhuurd.

13 July 2009
By on 23:15
mijn schrijfboekje onthuld

Schrijfboekje_4_2

Schrijfboekje_1_2

Schrijfboekje_2_2

Schrijfboekje_3_2

Schrijfboekje_5_2

21 June 2009
By on 21:40